Het is de supermarkt die het handigst op mijn weg naar huis ligt. Beetje van het crappy soort, maar ze hebben er wat ik nodig heb. Het is er druk en ik wacht even tot een vader zijn kindje op de fiets gehesen heeft, voordat ik mijn fiets op een acceptabele manier kwijt kan.
Bij de ingang staat ze er weer. Altijd. Ze lacht weer, bedeesd, maar vriendelijk. Al wat ouder, ik gok net over de zestig, een hoofddoek op Oost-Europese wijze om haar hoofd. Ik groet en loop naar binnen. Gelukkig heb ik maar twee boodschappen nodig, want ik had ook nog een boek gekocht en mijn fietsmand kent zijn grenzen.
Op weg terug naar de uitgang houd ik wat geld apart voor de dame bij de ingang. De straatkrant heb ik volgens mij begin van de maand al bij een ander gekocht, dus ik stort de inhoud van mijn hand in de hare en zeg glimlachend dat ik de krant al heb. Met mijn e-bay oranje Oilily tas en pak biologische volle melk glip ik snel weer verder, voordat de dankbetuiging begint. Dat gebeurt meestal en ik vind het zo ongemakkelijk. Ik voel me al rijk genoeg dat ik mijn geld verdien door een goed stel hersens en niet dag in dag uit bij een supermarkt hoef te staan waar ik vermoedelijk ook nog veel vuile blikken krijg ook en afhankelijk ben van de goedheid van de medemens.
Bij het naar achter rijden van mijn fiets kruisen onze blikken nogmaals en ik zie dat ze haar hand kust, naar de hemel gebaart en me nog een laatste knikje geeft. Ik lach verlegen edoch royaal terug en fiets tegen de richting in naar het kruispunt.